Financieringsmonitor 2021
Publicatiedatum: 16-12-2021 00:00
In iedere stap van de zoektocht (van de behoefte tot daadwerkelijk aantrekken van externe financiering) vallen bedrijven van vrouwen vaker af. Wanneer er een financieringsbehoefte is, slaagt uiteindelijk 41 procent van de vrouwelijke ondernemers geheel of in ieder geval ten dele. Voor mannelijke ondernemers met een financieringsbehoefte is dit 44 procent. Ook wanneer gecorrigeerd wordt voor verschillen in omvang en sector van het bedrijf en de leeftijd en herkomst van de ondernemer blijven er significante verschillen tussen vrouwelijke en mannelijke ondernemers bestaan. In de hele zoektocht naar financiering zijn vrouwelijke ondernemers dus minder actief en uiteindelijk ook minder succesvol. Deze bijlage beschrijft hoe vrouwelijke ondernemers hun zoektocht naar financiering inrichten en in hoeverre deze verschilt van die van mannelijke ondernemers. Voor het leesgemak wordt steeds gesproken over vrouwelijke ondernemers en mannelijke ondernemers. Eigenlijk gaat het om de vergelijking tussen bedrijven in het mkb die minstens voor de helft uit vrouwelijke ondernemers bestaan in vergelijking met bedrijven in het mkb die merendeels uit mannelijke ondernemers bestaan. Waar heeft deze analyse betrekking op?
Voor deze analyse zijn vier verslagjaren van de Financieringsmonitor samengevoegd. De resultaten hebben betrekking op de periode 1 juli 2017 tot 1 juli 202115). De analyse beperkt zich tot bedrijven waarvoor duidelijk één of meer ondernemers (en hun geslacht) bepaald kunnen worden: zelfstandigen met personeel en directeur-grootaandeelhouders (dga). Naamloze vennootschappen en grote bedrijven komen dan ook nauwelijks voor in deze cijfers. Zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) behoren niet tot de onderzoekspopulatie van de Financieringsmonitor. Dat betekent dat een groot deel van de ondernemers buiten beschouwing blijft in dit onderzoek16).A.1 Vrouwelijke ondernemers minder succesvol in zoektocht naar financiering Bedrijven in het mkb die minstens voor de helft uit vrouwelijke ondernemers bestaan, gaan minder vaak op zoek naar externe financiering dan mannelijke ondernemers. Deze verschillen zijn ook te zien in alle andere stappen van de zoektocht en ze zijn allemaal statistisch significant. Dat betekent dat – ook na correctie voor verschillen in bedrijfskenmerken – vrouwelijke ondernemers minder actief en uiteindelijk ook minder succesvol zijn op de financieringsmarkt. Van de bedrijven met minstens de helft vrouwelijke ondernemers heeft 20 procent een financieringsbehoefte en hiervan oriënteert 81 procent zich op de mogelijkheden die de externe financieringsmarkt biedt. Dit is minder dan de mannelijke ondernemers, waarbij dit respectievelijk 22 procent en 84 procent is.Een daadwerkelijke financieringsaanvraag wordt vervolgens ook vaker door mannelijke ondernemers gedaan: 63 procent ten opzichte van 61 procent onder vrouwelijke ondernemers. Vrouwelijke ondernemers vallen in het zoekproces dus eerder af. Als er eenmaal daadwerkelijk een aanvraag is gedaan, blijken aanvragen van vrouwelijke ondernemers minder kansrijk te zijn in vergelijking met die van mannelijke ondernemers. Het verloop van deze zoektocht laat zien dat er een verschil bestaat in de mate waarop deze twee groepen met een financieringsbehoefte er in slagen die financiering succesvol aan te trekken. Bij vrouwelijke ondernemers slaagt uiteindelijk 41 procent, bij mannelijke ondernemers is dat 44 procent17). Mannelijke ondernemers verwachten daarnaast vaker een toekomstige financieringsbehoefte te hebben.

 

A.2 Vrouwelijke ondernemers financieren vaker uit privé vermogen

Vrouwelijke ondernemers die geen externe financiering zoeken, laten dit vaker na omdat ze geen groei verwachten of omdat ze onafhankelijk willen zijn van externe financiers. Mannelijke ondernemers geven daarentegen vaker aan dat ze ervoor kiezen om uit intern eigen vermogen of bestaand extern vermogen te financieren. Wanneer ondernemers gebruik maken van intern eigen vermogen bestond dit bij mannen vaker uit ingehouden winsten of reserves en bij vrouwen vaker uit hun privévermogen.

Figuur A.2.1 laat zien dat vrouwen er vaker voor kiezen om zich te informeren over de mogelijkheden voor externe financiering via de financieel adviseur, want die relatieve kansverhouding18) is groter dan 1. Zij kiezen minder vaak voor de bank of een andere financier, want die relatieve kansverhouding is kleiner dan 1. Alle waargenomen verschillen in oriëntatievorm en overwogen financieringsvorm zijn statistisch significant19). Mannen en vrouwen verschillen niet in de mate waarin ze de accountant of bekenden inschakelen bij het verkennen van de mogelijkheden voor externe financiering en ook niet in de mate waarin zij zelf online op zoek gaan. Vrouwelijke en mannelijke ondernemers verschillen daarnaast in het type financieringsvorm dat ze overwegen in de oriëntatiefase. Zo oriënteren vrouwen zich vaker op de financieringsvormen rekeningcourant en informele investeerders. Mannelijke ondernemers overwegen vaker leasing als externe financieringsvorm.

Omdat er nu gegevens van vier jaren worden gebruikt, kan voor het eerst iets gezegd worden over het verschil tussen mannen en vrouwen waar het gaat om de daadwerkelijke financieringsaanvraag. In lijn met de oriëntatiefase is er geen significant verschil tussen mannen en vrouwen in de mate waarin zij een banklening aanvragen. Aan vrouwelijke ondernemers wordt significant minder vaak om onderpand gevraagd dan aan mannelijke ondernemers. Tot slot betalen vrouwen een mediane vaste rente van 3,2 procent voor hun financiering. Mannen betalen iets meer: 3,4 procent. Deze mediaan is niet gecorrigeerd voor achtergrondkenmerken. Dit verschil is statistisch significant wanneer we door middel van een regressieanalyse wel corrigeren voor achtergrondkenmerken (leeftijd en herkomst van de ondernemer, bedrijfstak en grootte van het bedrijf).

15) Gezien de beperkte mogelijkheden tot analyses tussen mannelijk en vrouwelijk ondernemerschap is in 2019 gekozen om de respons van 2018 en 2019 samen te voegen. Vorig jaar is de respons van 2020 hieraan toegevoegd en dit jaar die van 2021. Dat heeft de mogelijkheden om meer detail aan te brengen vergroot. Tegelijkertijd beperkt dit de mogelijkheden om ontwikkelingen in beeld te brengen. Het is daarom belangrijk om te realiseren dat uitkomsten van eerdere jaren niet vergelijkbaar zijn met die van dit jaar, vanwege de overlap in respons.
16) Zelfstandigen zonder personeel zijn vaker vrouwen dan zelfstandigen met personeel: van de zzp’ers is 39 procent vrouw en van de zmp’ers is dit 25 procent (2021 tweede kwartaal). Zie StatLine: arbeidsdeelname, kerncijfers.
17) Bij vrouwelijke ondernemers met een externe financieringsbehoefte leidt de combinatie oriëntatie, aanvraag en (deels) succesvol tot 0,81 * 0,61 * 0,82 = 41 procent. Bij mannen is dit 0,84 * 0,63 * 0,84 = 44 procent.
18) De kansverhouding wil zeggen: de kans op een gebeurtenis in verhouding tot de kans dat die gebeurtenis niet plaatsvindt. In dit geval: de kans dat vrouwen zich informeren via de financieel adviseur ten opzichte van de kans dat vrouwen deze oriëntatievorm niet gebruiken. Een relatieve kansverhouding is de kansverhouding van een bepaalde groep (vrouwen) gedeeld door de betreffende kansverhouding van de referentiegroep (mannen). In dit geval: een kansverhouding om zich te oriënteren via een financieel adviseur is voor vrouwelijke ondernemers 1,2 maal groter dan de kansverhouding voor mannelijke ondernemers.
19) Bij vrijwel alle significante resultaten is de overschrijdingskans, de kans dat dergelijke resultaten gevonden worden terwijl er in werkelijkheid geen verschil is tussen vrouwelijk en mannelijk ondernemerschap, gelijk aan 0,000.
https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/aanvullende-statistische-diensten/2021/financieringsmonitor-2021/bijlage-a-vrouwelijke-ondernemers-en-hun-zoektocht-naar-financiering